Mevrouw Stagink was net nieuw in het zorgcentrum. Met Kerst vierden we in het Grand Café, want daar hadden we de ruimte. Maar die ruimte was er – tot mijn verbazing – niet voor mevrouw Stagink. Zij wilde gezellig aanschuiven bij één van de tafels, maar kreeg niet al te vriendelijk te horen, dat die plaats al bezet was. Dan maar proberen bij een andere tafel. Ook daar bleek de nog lege stoel ‘bezet’. ‘Niet echt de Kerstgedachte’, dacht ik. De mensen die al langer in het huis woonden hadden blijkbaar de oudste rechten.
Komende zondag gaat het ook over zoiets. De leerlingen van Jezus vragen naar hun beloning voor gedane arbeid. Alles hebben zij gegeven. Jezus antwoordt met de parabel van de arbeiders van het elfde uur (Mat. 20, 1-16). Als de dagloners aan het einde van de dag worden uitbetaald, krijgt ieder evenveel. Eén denarie. De mannen die heel de dag hebben gewerkt en de hitte van de dag hebben getrotseerd, vinden dit – hoewel dit toch de deal was – heel oneerlijk. De laatst gekomenen, die maar kort gewerkt hebben, krijgen evenveel.
Voor de eerste christenen was dit verhaal bedoeld om te laten zien, dat het niet belangrijk is wanneer je erbij gekomen bent, maar dát je erbij gekomen bent. Ze mogen geen onderscheid maken tussen de mensen van het eerste uur, die Jezus mogelijk nog gekend hebben, en degenen die er later bij gekomen zijn. De één heeft niet meer rechten dan de ander.
Maar die ene denarie had ook een maatschappelijke betekenis. Het was in de tijd van Jezus het loon voor een dag werken. Dat had je nodig om je in je levensonderhoud te kunnen voorzien. En dat gun je iedereen. Toch? Zo redeneerde in ieder geval de heer des huizes in de parabel. Kunnen wij ook zo ruimhartig zijn?
Frank de Heus, pastoraal werker