Een paar weken geleden, na een van die heftige zomerbuien, liep ik met mijn neefje over straat. Hij bleef staan bij een grote regenplas en wilde er graag overheen springen. Maar hij durfde niet en bleef twijfelen. Ik stak mijn hand uit en zei: "Kom maar." Hij pakte mijn hand en sprong toen. Hij haalde de overkant niet helemaal, maar viel ook niet. Ik had hem stevig vastgehouden.
Ik moest hieraan denken bij het verhaal waarin Petrus over het water naar Jezus toe loopt (Mt. 14,22-33). Zolang hij zijn blik op Jezus gericht houdt, draagt het water hem. Maar zodra hij naar de golven kijkt en zich laat beheersen door angst, begint hij te zinken. Dan klinkt dat prachtige gebed dat zo kort is dat iedereen het kan onthouden: "Heer, red mij!" Meteen steekt Jezus zijn hand uit.
Dat verhaal gaat niet alleen over Petrus. Het gaat over ons allemaal. Ook wij kennen stormen: zorgen om onze gezondheid, spanningen in het gezin, onzekerheid over werk, verdriet om iemand die we missen of de onrust in de wereld. Die golven kunnen zo hoog worden dat we alleen nog maar naar de problemen kijken. Jezus vraagt niet of wij nooit bang zijn. Hij vraagt wel of wij Hem blijven vertrouwen. Geloof betekent niet dat de storm verdwijnt. Geloof betekent dat Christus met ons in de boot is en zijn hand naar ons uitsteekt wanneer wij dreigen weg te zinken.
Misschien is de grootste stap in het geloof niet dat wij over water leren lopen, maar dat wij iedere dag opnieuw de moed vinden om één stap naar Jezus toe te zetten. Hij laat ons niet los. En juist daarom kunnen wij verder gaan, ook wanneer de wind tegen lijkt te zijn.
Pastoor Patrick Kuipers
